Les Voortgang
0% Voltooid

De economische kringloop

Onder een economische kringloop wordt een schematische voorstelling verstaan van de goederen- en geldstromen in een economie. Bij deze kringloop spelen huishoudens – klanten en producenten – een belangrijke rol. Een huishouden is een persoon of een groep personen die gezamenlijk een inkomen geniet of uitgaven doet. Een klant (in deze syllabus spreken wij overigens zelf altijd over ‘klant’) is een persoon die op bepaalde momenten in zijn leven koper is van producten en diensten. Een producent is degene die deze producten en diensten levert. In elke maatschappij bestaan consumenten huishoudingen en producentenhuishoudingen. Deze twee partijen vormen de basis van de economische kringloop en kunnen zonder elkaar niet bestaan. 

Er wordt uitgegaan van 4 productiefactoren. Productiefactoren zijn middelen die mensen gebruiken om iets te produceren of om een dienst te leveren. De productie factoren zijn: 

  • Kapitaal
    Kapitaal kan bestaan uit de middelen die worden gebruikt of ingeschakeld in het productieproces. De beloning voor kapitaal is rente. 
  • Arbeid
    Arbeid is de inspanning van mensen om een product of dienst te leveren. De beloning voor arbeid is loon. 
  • Natuur
    Met natuur wordt grond bedoeld. De beloning voor natuur is pacht of huur. 
  • Ondernemerschap
    Ondernemerschap is het goed en verantwoord inzetten van de andere productie factoren. De beloning voor ondernemerschap is winst.

Het ezelsbruggetje om de productiefactoren te onthouden is KANO (kapitaal, arbeid, natuur, ondernemerschap). 

Inkomsten en uitgaven van zowel de klant als de producent circuleren in de samenleving. Er kunnen hierbij 2 groepen onderscheiden worden: de tekorthuishoudingen en de overschothuishoudingen. Een tekorthuishouding heeft minder inkomsten dan zij aan uitgaven heeft en een overschothuishouding heeft meer inkomsten dan zij aan uitgaven heeft. Tekorthuishoudingen zorgen voor de vraag naar vermogen en kunnen hun vermogenstekort in principe oplossen door te ontsparen (hun vermogen aan te spreken) of te lenen. Overschothuishoudingen zullen het vermogen dat zij overhebben juist willen sparen of beleggen. Beide huishoudingen zijn afhankelijk van elkaar. Een overschothuishouding zorgt immers voor aanbod van vermogen. 

Het geheel van vraag en aanbod van vermogen wordt ook wel de financiële markt of vermogensmarkt genoemd. De financiële markt wordt onderverdeeld in de: 

  • Geldmarkt Het geheel van vraag naar en aanbod van kredieten met een looptijd van korter dan 1 a 2 jaar. 
  • Kapitaalmarkt Het geheel van vraag naar een aanbod van kredieten met een looptijd van langer dan 1 a 2 jaar. 

Het onderscheid tussen de geld- en kapitaalmarkt is niet scherp. Sommige economen gaan voor de looptijd uit van een grens van 2 jaar in plaats van 1 jaar. Op de financiële markt vervullen financiële instellingen, zoals banken, een belangrijke rol van het doorsluizen van geld van diegenen die per saldo sparen naar diegenen die per saldo uitgeven. 

De klant heeft 3 behoeften die direct verband houden met de economische kringloop: 

  • Bewaren van overschotten (sparen) Er is sprake van sparen als een klant zijn inkomsten niet direct volledig uitgeeft op het moment dat die binnenkomen, maar een deel daarvan opzij zet voor een later moment. 
  • Aanvullen van tekorten (lenen of ontsparen) Een klant die een tekort aanvult, kan dat op 2 manieren doen: lenen of ontsparen. Bij lenen wordt het tekort aangevuld met geld van een ander. Bij ontsparen neemt de klant het overschot of een deel daarvan weer op. Bij ontsparen zijn er 2 mogelijkheden: Interen en rentenieren. 
  • Ontvangen en het doen van betalingen 

De vierde financiële behoefte volgt indirect uit de economische kringloop. Financiële zekerheid (verzekeren) Een klant kan ervoor kiezen om risico’s te verzekeren. Verzekeren betekent risico-overdracht. De klant kiest er bewust voor bepaalde risico’s niet zelf te dragen, maar onverwachte grote uitgaven te verzekeren. Denk hierbij aan het verzekeren van de inboedel tegen brandrisico of het verzekeren van schade die ontstaat doordat de klant een schade aan of bij een derde veroorzaakt. 

Hieronder staat een weergave van de geldstromen tussen overschothuishoudingen en tekorthuishoudingen 

Financieel evenwicht in de consumentenhuishouding

Sparen, beleggen, ontsparen en lenen houden een consumentenhuishouding financieel in evenwicht. De klant kan overzicht houden in zijn financiële huidhouding door gebruik te maken van 2 middelen: 

  • Kasstroomoverzicht
    Een kasstroomoverzicht is een overzicht van inkomsten en uitgaven; het wordt ook wel het huishoudboekje genoemd waarin de klant alle uitgaven en inkomsten vermeldt. Een kasstroomoverzicht laat zien of er overschotten (en daarmee bestedings ruimte is) of tekorten zijn en wat de oorzaak hiervan is. In het kasstroomoverzicht is ook eenvoudig te herleiden of inkomsten of uitgaven incidenteel of structureel zijn. 

Voorbeeld structurele uitgaven
Huur of hypotheeklasten zijn voorbeelden van structurele uitgaven. Deze uitgaven worden maandelijks dan wel jaarlijks gedaan. Andere voorbeelden zijn: abonnementen, lidmaatschappen, energiekosten, verzekeringen en belastingen. 

Voorbeeld structurele inkomsten
Een vaste bron van inkomen is vaak het salaris, de pensioenuitkering of een uit kering op grond van de sociale wetgeving (denk hierbij aan de Algemene Ouderdomswet (AOW), de Algemene nabestaandenwet (Anw), de Werkloos heids wet (WW) of Participatiewet (Pw). 

Voorbeeld incidentele uitgaven
De kosten voor de aanschaf van een andere auto is een voorbeeld van een incidentele uitgave. Net als de kosten voor de verbouwing van een huis. Of de aanschaf van een nieuwe wasmachine. 

Voorbeeld incidentele inkomsten
Het ontvangen van een schenking of een erfenis zijn voorbeelden van incidentele inkomsten.

  • Balans De balans is een overzicht van bezittingen en schulden van een huishouding. Dit hulpmiddel wordt gebruikt om te achterhalen of een consumentenhuishouding een overschot of een tekort heeft. De balans geeft de huidige stand van zaken aan. De klant zal, op het moment dat hij wil weten of er sprake is van een overschot huishouding of een tekorthuishouding, de balans moeten opmaken. Uiteraard kan de klant altijd een streefbalans opmaken, waarin hij aan de hand van zijn doelen een balans opstelt voor de toekomst. Door de streefbalans te vergelijken met de huidige balans kan de klant bepalen of hij maatregelen moet nemen om zijn doelen te realise ren. Denk hierbij aan sparen, ontsparen, lenen of verzekeren. 

Een balans heeft 2 kolommen. In de linkerkolom staan de bezittingen; deze wordt de activazijde of debetzijde van de balans genoemd. In de rechterkolom staan de schulden van de huishouding (ook wel ‘vreemd vermogen’ genoemd); deze wordt de passivazijde of creditzijde van de balans genoemd. De balans wordt sluitend gemaakt door op de passivazijde de post ‘eigen vermogen’ of ‘persoonlijk vermogen’ op te nemen. 

Niet-sluitende balans in euro’s 

Er is soms discussie welke posten nu wel en welke posten nu niet moeten worden meegenomen op een balans. In de afbeelding niet-sluitende balans in euro’s is het eigen vermogen niet opgenomen. De waarde van de auto of de inboedel kan buiten de balans worden gehouden, omdat de waarde van deze goederen onderhevig is aan een dalende dagwaarde, aan verlies of aan schade. De waarde van een verzameling van bijvoorbeeld kunst of oude auto’s zou dan weer wél op de balans opgenomen worden. 

Voor het examen Wft-Basis geldt dat de auto, de inboedel, het pleziervaartuig enz. wel worden opgenomen op de balans. 

Sluitende balans in euro’s 

De term ‘balans’ zegt het al: er moet sprake zijn van evenwicht. Gaat het over een ‘sluitende balans’ dan moet het totaal in de linkerkolom – dus – gelijk zijn aan de uitkomst in de rechterkolom. Ofwel: activa en passiva moeten met elkaar in evenwicht zijn. Dat kan door de post ‘Persoonlijk vermogen’ op de passivazijde van de balans op te nemen. In de afbeelding ‘Niet-sluitende balans in euro’s’ was te zien dat het totaal aan activa €265.000 was en het totaal aan passiva €210.000. Door de post ‘Persoonlijk vermogen’ op te nemen voor €55.000 wordt de balans rechtgetrokken. 

Persoonlijk vermogen
Het persoonlijk vermogen is te berekenen door de totale waarde van de schulden af te trekken van de totale waarde van de bezittingen. 

Solvabiliteit
Als op de balans de waarde van de bezittingen groter is dan de waarde van de schulden dan is sprake van een overschot. In het voorbeeld ‘Sluitende balans in euro’s’ is dat het persoonlijk vermogen van €55.000. De klant kan bij een overschothuishouding zijn langlopende schulden nakomen. De balans is solvabel. 

Overschothuishouding
Op de balans is de post persoonlijk vermogen positief. 

Er kan uiteraard ook sprake zijn van een insolvabele huishouding. In dat geval zijn de schulden hoger dan de waarde van de bezittingen. 

Balans van een insolvabele huishouding in euro’s 

Boekhoudtechnisch is deze huishouding failliet. Maar zolang de kredietverstrekkers de leningen niet opeisen en de klant aan zijn maandelijkse verplichtingen blijft voldoen, is er niets aan de hand. Dit soort situaties kunnen veroorzaakt worden door schommelingen in de waarde van de eigen woning. 

Tekorthuishouding
Op de balans is de post persoonlijk vermogen negatief. 

Liquiditeit
Liquiditeit geeft aan in welke mate een huishouding aan haar lopende betalingsverplichtingen kan voldoen. In de afbeelding ‘Balans van een insolvabele huishouding in euro’s’ is het saldo van de betaalrekening €10.000 en van de spaarrekening €15.000. Het aangaan van een financiële verplichting, bijvoorbeeld reparatiekosten voor de auto, is geen probleem. Er zijn voldoende liquide middelen om deze kosten te voldoen. De liquide middelen zijn dus de direct inzetbare middelen om verplichtingen te kunnen nakomen. 

Balans van een weinig liquide huishouding in euro’s 

Het levensfasemodel

De persoonlijke en de financiële situatie van een klant blijven niet zijn hele leven lang gelijk. De hoogte van het inkomen varieert gedurende de levensloop. Elke klant doorloopt in zijn leven bepaalde stadia, ook wel levensfases genoemd. Het levensfase model is een manier om de financiële behoeften van een klant in te schatten aan de hand van de levensfase waarin de klant zich bevindt en welke levensfasen hij nog voor de boeg heeft. Dit wordt los gezien van de leeftijd van de personen in een huishouding. Er zijn 2 levensfasemodellen. Model 1 gaat uit van 5 levensfasen en model 2 gaat uit van 4 levensfases. 

In model 1 wordt uitgegaan van 5 fasen. 

In model 2 wordt uitgegaan van 4 fasen. 

  • Start-up fase Deze fase is vergelijkbaar met de vroege jeugd en het begin van de jongvolwassenheid. 
  • Expansiefase Deze fase is vergelijkbaar met het einde van de jongvolwassenheid en het begin van de middenfase. 
  • Rijpheidsfase Deze fase is vergelijkbaar met het eind van de middenfase en het begin van de actieve ouderdom. 
  • Teruggangsfase Deze fase is vergelijkbaar met het eind van de actieve ouderdom en de afhankelijke oudersom. 

De modellen gelden natuurlijk niet voor álle Nederlandse huishoudens, maar wel voor het merendeel deel daarvan. Er zijn voldoende factoren te bedenken waardoor een huishouden soms teruggaat naar een eerdere fase of juist sneller doorgaat naar een volgende. Denk hierbij aan echtscheiding, aan kinderen krijgen op late leeftijd, aan arbeids ongeschikt raken of aan vervroegd overlijden. 

De adviseur zal deze levensfases gebruiken bij zijn analyse. Voor elke levensfase kan de adviseur beoordelen of de klant persoonlijk vermogen heeft en of hij liquide is. En of de klant in die levensfase vreemd vermogen nodig heeft. De adviseur kan met behulp van – onder andere – de levensfases snel beoordelen of de doelen van de klant financieel haalbaar zijn en hoe die gefinancierd moeten worden. 

Informatiebronnen voor de klant

Een klant die hulp zoekt bij het doorlichten van zijn financiële huishouding en dit zelf wil regelen, kan terecht bij een aantal onafhankelijke instanties. 

  • Het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud)
    Het Nibud is een onafhankelijk voorlichtingsinstituut dat onderzoek doet naar en voor lichting geeft over de huishoudportemonnee. De voorlichting die het Nibud geeft over de geldzaken in de praktijk is te vinden in diverse brochures en op de website, www.nibud.nl. Handig zijn de rekentools. Er wordt met thema’s gewerkt, zoals admini stratie, belasting, huishoudelijke uitgaven, meer doen met geld, hulp bij schulden of kinderen. Behalve een voorlichtings- en researchinstituut, is het Nibud ook een opleidings instituut. Zo verzorgt het bijvoorbeeld opleidingen voor gemeenten. Het Nibud is samen met zo’n 40 partners uit de financiële sector, de overheid, voorlichtings- en consumentenorganisaties en de wetenschap partner in het platform ‘Wijzer in geldzaken’. Alle partners zetten zich in om de financiële vaardigheden van klanten te verbeteren en het financiële inzicht te vergroten, zodat klanten beter in staat zijn verantwoorde financiële beslissingen te nemen. 
  • De Consumentenbond
    De Consumentenbond komt in Nederland op voor de belangen van alle klanten. De Consumentenbond is een vereniging zonder winstoogmerk die voor het grootste deel wordt gefinancierd door contributies van leden en gebruikers. Samen met de klant werkt de Consumentenbond aan eerlijke, rechtvaardige en veilige markten. Naast het via de eigen media regelmatig publiceren van onderzoeksresultaten, heeft de Consumentenbond ook haar eigen Wft-vergunning voor advies binnen de financiële dienstverlening. Zij geeft advies over betaal- en spaarrekeningen, over levens- en overlijdensrisicoverzekeringen en over schadeverzekeringen: auto-, inboedel-, opstal-,aansprakelijkheid-, reis-, rechtsbijstand- en zorgverzekeringen. De Consumentenbond verstrekt maandelijks de Geldgids. Een gids waar ingegaan wordt op actuele ontwikkelingen en waarin producten met elkaar worden vergeleken tussen de verschillende aanbieders. 
  • De Autoriteit Financiële Markten (AFM)
    De AFM is een onafhankelijke gedragstoezichthouder die zich sterk maakt voor eerlijke en transparante financiële markten. Samen met De Nederlandsche Bank (DNB) draagt de AFM bij aan duurzaam financieel welzijn in Nederland. De AFM houdt toezicht op aanbieders van producten en op adviseurs en bemiddelaars. Via haar website en publicaties biedt de AFM hulp aan de klant, zodat deze een weloverwogen financiële keuze kan maken. Daarnaast heeft het AFM een Meldpunt Financiële Markten waar de klant zijn vragen kan stellen of (mogelijke) misstanden in de financiële markten kan melden. 

Tot slot van deze paragraaf een korte algemene uitleg over economie. 

Economische groei

Wanneer de media, of politici, reppen dat het ‘niet goed gaat met de economie’, dan wil dat zeggen dat er in de kringloop iets verstoord is. 

In een groeiende economie neemt de vraag van consumentenhuishoudingen naar goederen en diensten – en dus naar vermogen – toe. Om aan deze vraag te kunnen voldoen, gaan producentenhuishoudingen meer produceren. Om meer te kunnen produce ren is vermogen nodig. En daardoor neemt bij economische groei de geldstroom in de economische kringloop toe. Als dit doorschiet, is sprake van een oververhitte economie. 

De tegenhanger van groei is krimp. Als de economie stilstaat (er is geen groei of krimp), wordt er gesproken van stagnatie. De afgelopen jaren reageerde de kring loop de andere kant op. Banken werden steeds voorzichtiger met het uitlenen van geld. Met als gevolg dat klanten steeds minder te besteden kregen waardoor producenten weer moeilijker aan werkkapitaal konden komen. De economie stagneerde, er was zelfs sprake van krimp. 

Het bruto nationaal product (BNP) ofwel bruto binnenlands product (BBP) is de totale toegevoegde waarde van alle in een land geproduceerde eindproducten en diensten gedurende een bepaalde periode, meestal 1 jaar. Landen waar sprake is van een snelle, maar ook instabiele economische groei worden emerging markets genoemd. Landen als China, India of Brazilië zijn landen waar de groei groot is, maar er wel sprake is van een instabiele economie. Het risico van beleggingen in een emerging market is groot. Maar daartegenover staat dan wel een mogelijk hoger rendement. 

De golfbewegingen die waargenomen worden in de groei van de economie of de productie op korte termijn worden ‘conjunctuur’ genoemd. De schommelingen in de groei van het BBP worden veroorzaakt door veranderingen in de vraag naar goederen en diensten. Is er veel vraag, en daarom ook veel productie, dan is sprake van een hoogconjunctuur, ook wel hausse genoemd. En wanneer de productiecapaciteit van ondernemingen in een land beter benut worden, dan heeft dat een positieve invloed op ondernemingsresultaten. 

Een economische situatie met weinig vraag en een lage productie heet een laag conjunctuur, ook wel baisse genoemd. Als de economie 2 kwartalen achter elkaar krimpt, is sprake van een recessie. 

Hausse of baisse 

Inflatie
Er is sprake van (prijs)inflatie als het algemeen prijsniveau van een land stijgt. Anders gezegd: wanneer de prijzen (gemiddeld) dermate zijn gestegen dat met eenzelfde hoeveelheid geld minder goederen gekocht kunnen worden. De prijsstijgingen worden onder meer gemeten met de zogenaamde consumentenprijsindex. De consumentenprijsindex (CPI) geeft de gemiddelde prijsstijging aan van een pakket goederen en diensten dat door een bepaalde groep mensen gekocht wordt. Deze prijsstijging wordt uitgedrukt ten opzichte van het basisjaar. De CPI is de maatstaf waarmee jaarlijks de inflatie wordt gemeten. 

Bij een hoge inflatie stijgen de prijzen van goederen en diensten sterk. Dit heeft negatieve gevolgen voor de concurrentiepositie van het land. De producten en diensten van het land zijn dan duur vergeleken met andere landen. Aanhoudende deflatie (prijs daling) is ook niet wenselijk, omdat klanten hun aankopen in dat geval uitstellen in afwachting van verdere prijsdalingen. Een gezonde, groeiende economie kent een inflatie van iets onder de 2% per jaar. De inflatie bedroeg in 2019 in Nederland 2,6% (was 1,7% in 2018) en de verwachting voor 2020 is 1,8%. 

Een andere factor waaraan binnen de economie aandacht wordt besteed, zijn de olieprijzen. De reden hiervoor is dat het grootste deel van de productieondernemingen olie gebruikt in hun productieproces. De olieprijs speelt dus een bepalende rol in het ondernemingsresultaat. Op die manier heeft de olieprijs invloed op het BBP en op de inflatie.