Les Voortgang
0% Voltooid

In het geval van indirecte financiering is de kredietverstrekker een financiële instelling. Hieronder staan een aantal kredietverstrekkers opgesomd die we nader zullen bespreken:

  1. Banken
  2. Verzekeraars
  3. Aanbieders van kaartkrediet
  4. Postorderbedrijven
  5. Financieringsmaatschappijen
  6. Banken van lening
  7. Overheid

1.  Banken

Banken zijn erg belangrijk voor het economische verkeer in een land. Bij een bank kun je onder andere geld sparen, geld lenen en contant geld opnemen. Banken zijn de belangrijkste verstrekkers van geldkrediet.

Een bank kent in het algemeen de volgende activiteiten:

  • Rentemargebedrijf
  • Betalingsverkeer
  • Bemiddelen en adviseren
Rentemargebedrijf

Op de vermogensmarkt, waar vraag en aanbod van geld bij elkaar komen, vervult de bank een transformatiefunctie. Transformeren is het aantrekken en uitzetten van geld. De bank stemt vraag en aanbod van de verschillende marktpartijen op elkaar af. De bank trekt geld aan in bijvoorbeeld de vorm van spaarrekeningen en de bank zet geld uit in bijvoorbeeld de vorm van hypotheken.

De bank betaalt rente voor het aantrekken van geld (rente die de klant ontvangt op een spaarrekening) en de bank ontvangt rente bij het tijdelijk uitzetten van geld (rente die de klant betaalt bij een consumptief krediet). Het verschil in rentepercentage tussen betaalde rente en ontvangen rente wordt rentemarge genoemd. Het aantrekken en uitzetten van geld wordt ook wel het rentemargebedrijf genoemd.

Bij het rentemargebedrijf loopt de bank het debiteurenrisico. Dat wil zeggen dat de bank het risico loopt dat de kredietnemer (de debiteur) het geld niet zal terugbetalen.

Betalingsverkeer

Het verzorgen van een efficiënt en veilig verloop van het betalingsverkeer is een taak van de banken. Dit wordt ook wel het betaalbedrijf genoemd. Via banken kan er geld worden overgeboekt. Daarnaast zorgen banken ervoor dat klanten over contant geld kunnen beschikken (bijvoorbeeld via geldautomaten). Ook het internationale betalingsverkeer loopt via banken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om overboekingen naar buitenlandse bedrijven en het opnemen van vreemde valuta (geld wisselen).

Bemiddelen en adviseren

Banken treden bij het sluiten van overeenkomsten (bijvoorbeeld een verzekeringsovereenkomst) op als bemiddelaar tussen partijen. Dit strekt zich uit van verzekeringen en effecten tot fusies en overnames. Zij brengen partijen bij elkaar of geven advies en krijgen hier een provisie (beloning) voor. Zodoende wordt de bemiddelingsfunctie van banken ook wel het provisiebedrijf genoemd.

2. Verzekeraars

Een verzekeringsmaatschappij is een bedrijf dat tegen betaling financiële risico’s afdekt. De meeste mensen hebben in hun leven behoefte aan financiële zekerheid. Ze willen zichzelf en hun gezin beschermen tegen de financiële gevolgen van bepaalde dingen die kunnen gebeuren. Dit kan bijvoorbeeld schade zijn aan het huis, maar het kan ook het overlijden van iemand uit het gezin. Als het gezin is verzekerd, keert de verzekeraar na zo’n gebeurtenis een bepaald bedrag uit. Het gezin betaalt voor de verzekering elke maand of elk jaar een bedrag, dit wordt premie genoemd. Omdat verzekeraars premies ontvangen voor het overnemen van risico’s, ontvangen zij van alle klanten tezamen grote bedragen. De verzekeraar zet dit ontvangen geld weer uit en heeft dus net als een bank een transformatiefunctie.

Verzekeraars verstrekken ook kredieten aan particulieren. Bijvoorbeeld voor de aankoop of verbouwing van een woning. Dit is een zogenaamd hypothecair krediet (hypotheek). Daarnaast verstrekken ze ook andere leningen, maar in beperkte mate. Bij kredieten waar de aflossing van het geleende bedrag via een levensverzekering is geregeld, spelen verzekeraars ook vaak een rol.

3. Aanbieders van kaartkrediet

De aanbieders van kaartkrediet nemen de betalingsverplichtingen van de klant over en rekenen later met hem af. Dit wordt ook wel kaartkrediet of cardkrediet genoemd.

De eigenaar van de kaart, de kaarthouder, beschikt eigenlijk over een uitstel-van-betalenkrediet. Dit houdt in dat de afrekening voor de aankopen die de kaarthouder doet, pas later volgt.

De aanbieder registreert waar, wanneer en hoeveel geld de kaarthouder uitgeeft en betaalt de bedragen aan de winkel waar de kaarthouder zijn aankopen heeft gedaan. De aanbieder stuurt pas later de rekening aan de klant. Meestal is dit aan het einde van de maand.

De kaarthouder hoeft geen rente te betalen over het uitstel van betaling. De aanbieder van kaartkrediet zorgt voor de financieringskosten. De aanbieder verdient zijn geld aan het abonnementsgeld dat de kaarthouder moet betalen. Ook de leveranciers (bijvoorbeeld winkels) die de creditcard als betaalmiddel accepteren, betalen een bijdrage aan de aanbieder van het kaartkrediet.

De kaarthouder kan tot een bepaald bedrag per maand aankopen doen. Het maximum bedrag dat per maand kan worden uitgegeven wordt de limiet genoemd. Zodra de kaart wordt aangeschaft, wordt de bestedingslimiet vastgesteld. Dit limiet is onder meer gebaseerd op het inkomen en het betalingsverleden van de aanvrager. De kaarthouder kan de rekening vaak ook in termijnen terugbetalen. Hier staat dan wel een rente- vergoeding tegenover. In de kredietovereenkomst die de kaarthouder aangaat met de aanbieder van het kaartkrediet of de bank, is een aantal afspraken over het aflossingsplan, de rentevergoeding en de limiet vastgelegd. Deze kaarten met een kredietfaciliteit zijn strikt genomen de ‘echte’ credit cards.Wanneer het uitgegeven bedrag elke maand van de rekening van de hou-der wordt afgeschreven is er eigenlijk sprake van een charge card.

De verschillende kaarten kunnen worden onderscheiden naar de uitgevende instelling en de gebruiksmogelijkheid:

  • Klantenkaarten
  • Creditcards

Klantenkaarten

Klantenkaarten, ook wel private-labelcards genoemd, kunnen onder andere door winkels en warenhuizen worden uitgegeven (in samenwerking met een financieringsmaatschappij). De klant kan met deze kaart aankopen doen in de betreffende winkel en pas later betalen (eventueel in termijnen). Deze makkelijke manier om aankopen te kunnen doen, zonder op dat moment over geld te beschikken, zorgt ervoor dat veel klanten hier gebruik van willen en kunnen maken.

Het bevorderen van de omzet is het hoofddoel van de winkel of het warenhuis die de klantenkaart aanbiedt. Ook maakt de administratie van de klantenkaart het mogelijk om het koopgedrag van de klant te volgen. Deze gegevens zijn belangrijk voor mailingen en andere marktgerichte activiteiten.

Klantenkaarten zijn een vorm van goederenkrediet omdat de klant producten ontvangt waarvoor hij later betaalt.

Creditcards

De creditcard is een betaalmiddel en kan over de hele wereld worden gebruikt in onder andere winkels en restaurants. Creditcards worden uitgegeven door banken, zelfstandige cardmaatschappijen (bijvoorbeeld Visa of American Express) en andere instellingen.

Met de creditcard kan de kaarthouder ook contant geld opnemen. Als de creditcard ook voorzien is van een pincode, kan de kaarthouder ook geld opnemen bij gelduitgifte-automaten. Vaak hebben creditcards nog andere mogelijkheden naast het doen van betalingen en geldopname. Er kan een reisverzekering of een verzekering tegen diefstal aan gekoppeld zijn. Vroeger waren de kaarten bijna alleen te gebruiken in restaurants, maar tegenwoordig accepteren bijna alle grote winkels creditcards.

Op sommige creditcards staat het logo van de cardmaatschappij, bijvoorbeeld Visa of Mastercard én het logo van een bank. Deze cards noemen we bancaire creditcards en worden uitgegeven door de meeste Nederlandse banken. Hierbij gaat de bank over de uitgifte van de card en de hoogte van de limiet. De creditcardmaatschappij houdt zich bezig met de administratie. Eens in de zoveel tijd wordt de afrekening van de aankopen van de kaarthouder, van de rekening afgeschreven die de kaarthouder bij de bank heeft. Dit heet automatische incasso.

Op weer andere creditcards staat het logo van de creditcardmaatschappij én het logo van de uitgevende instelling. Deze creditcards heten co-branded cards. Het gaat hierbij om creditcardmaatschappijen die samenwerken met een niet-financiële instelling. Een voorbeeld hiervan is de ‘Flying Blue – American Express card’ van KLM.

4.  Postorderbedrijven

Postorderbedrijven werken vaak met (internet)catalogi om hun producten aan klanten aan te bieden. Voorbeelden van postorderbedrijven zijn Wehkamp.nl, Bol.com, Amazon.com en Coolblue.nl. Als de klant een leuk product ziet, kan hij dit bestellen en krijgt hij het binnen een bepaalde periode thuisgestuurd. De wijze van betaling verschilt per postorderbedrijf. De klant kan vooraf bij bestelling, bij aflevering, of achteraf in termijnen betalen.

In geval van gespreide betaling achteraf moet er een kredietvergoeding worden betaald. Deze vorm van kredietverstrekking heet postorderkrediet (ook wel verzendhuiskrediet). Als de klant (een deel van) het bedrag heeft terugbetaald, kan hij weer opnieuw aankopen doen tot de afgesproken limiet. Dit is een vorm van (doorlopend) goederenkrediet. Door een toename van de verkoop via internet is het aantal postorderbedrijven de afgelopen jaren fors gestegen.

5.  Financieringsmaatschappijen

Op de markt voor consumptief krediet zijn financieringsmaatschappijen vaak dochterbedrijven van leveranciers van duurzame consumptiegoederen, zoals autodealers en postorderbedrijven. Zij zijn de belangrijkste verstrekkers van goederenkrediet. Financieringsmaatschappijen hebben geen transformatiefunctie. Zij trekken dus geen (spaar)geld aan uit de markt. Het geld dat nodig is om de kredieten te verstrekken is vaak van het moederbedrijf afkomstig. Zo kan een postorderbedrijf of een autodealer met een eigen financieringsmaatschappij werken. Een voorbeeld hiervan is het postorderbedrijf Wehkamp, dat WFinance heeft als financieringsdochter.

Voor financieringsmaatschappijen is er de branche- en belangenorganisatie VFN (Vereniging van Financieringsondernemingen in Nederland). De aangesloten bedrijven, de leden, ondertekenen als zij zich aansluiten de VFN-Gedragscode. De regels in de Gedragscode hebben als doel om de klant te beschermen en het aanzien van de branche te bevorderen. De Gedragscode is er ook op gericht om de integriteit van de VFN-leden te waarborgen. De leden moeten zowel in hun relaties met klanten als in hun relaties met anderen integer en verantwoordelijk handelen.

Voor banken geldt een soortgelijke gedragscode, namelijk de Gedragscode consumptief krediet. Deze gedragscode is ondertekend door alle leden van de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB).

De VFN Gedragscode is bindend voor leden, wat inhoudt dat de VFN haar leden kan aanspreken op het al dan niet naleven van de Code. Als een kredietbemiddelaar voor een VFN-lid zich niet aan de VFN Gedragscode houdt, dan dienen de financieringsmaatschappijen de samenwerking met deze kredietbemiddelaar op te zeggen. Ook als iemand, bijvoorbeeld een kredietnemer, een klacht heeft over het handelen van een VFN-lid, dan kan de VFN voor deze persoon nagaan of de regels zijn nageleefd en het betreffend lid eventueel aanspreken.

6.  Banken van lening

Wanneer iemand op korte termijn geld nodig heeft, kan hij terecht bij een bank van lening, ook wel pandhuis genoemd. Het geld kan worden geleend met waardevolle voorwerpen (bijvoorbeeld sieraden) als onderpand. Dit betekent dat de klant een voorwerp tijdelijk bij de kredietverstrekker inlevert in ruil voor een geldbedrag. Hij krijgt het voorwerp pas terug als hij het geldbedrag plus rente heeft terugbetaald.

Er zijn 2 soorten banken van lening:

  • Gemeentelijke banken van lening (worden opgericht bij besluit van de gemeenteraad)
  • Particuliere banken van lening (moeten aan meer regels voldoen en worden uitsluitend opgericht met toestemming van burgemeester en wethouders)

De bank van lening bepaalt hoeveel het voorwerp waard is en betaalt een beleensom uit. Het bewijs van kredietverstrekking, het pandbewijs, wordt aan de ontvanger van het geld (de pandgever) meegegeven.

De periode waarin wordt geleend (staantijd) is vaak kort. De pandgever moet bij het aflossen de beleensom plus het beleenrecht (de verschuldigde rente en kosten) terugbetalen. Als de pandgever het bedrag niet terugbetaalt, mag het pandhuis het voorwerp verkopen. Aan de hand van het aantal dagen dat de lening heeft gelopen, wordt de hoogte van het beleenrecht bepaald. De rente is over het algemeen hoog, dit komt door de korte looptijd van de leningen.

In 1910 werd de Pandhuiswet ingevoerd. Deze stelt voorwaarden aan de lening en regelt de gang van zaken bij de pandjeshuizen. In de Pandhuiswet is onder meer vastgelegd dat een bank van lening niet mag profiteren van een hogere opbrengst van het onderpand dan de beleensom en het beleenrecht tezamen. Als het onderpand bij verkoop meer opbrengt dan heeft de pandgever recht op die meeropbrengst. Als het voorwerp echter minder opbrengt dan de beleensom en het beleenrecht dan draagt het pandhuis deze kosten. Deze wet is in 2013 vervangen door de Pandhuiswet 2013. Eén van de belangrijkste wijzigingen is dat er nu sprake is van een maximale rentevergoeding op het krediet. Deze bedraagt 12 plus de wettelijke rente. De wettelijke rente bedraagt op dit moment 2 . De wijziging van de Pandhuiswet komt voort uit de wens van de Tweede Kamer de klant meer te beschermen.

7.  De overheid en consumptief krediet

De overheid verstrekt krediet aan klanten via de:

  • Gemeentelijke Kredietbank (GKB)
  • Gemeentelijke Sociale Dienst (GSD)
  • Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO)

Gemeentelijke kredietbank

De gemeentelijke kredietbank heeft een sociale functie en verschillende taken. De activiteiten kunnen als volgt worden ingedeeld:

1.    Sociale kredietverlening

Deze kredietverlening is de belangrijkste taak van de GKB. Het krediet wordt meestal verleend aan bepaalde doelgroepen (bijvoorbeeld mensen met lage inkomens of met een ongunstig (krediet) verleden).

2.    Normale kredietverlening

De GKB verleent ook standaard doorlopende en aflopende kredieten onder commerciële voorwaarden.

3.    Schuldhulpverlening

Als mensen financiële problemen hebben is schuldhulpverlening vaak een goede uitkomst. Schuldhulpverlening richt zich onder andere op voorlichting, schuldbemiddeling en verstrekking van saneringskredieten. De gemeentelijke kredietbank kijkt samen met degene die de schuld heeft naar alle rekeningen en schulden die nog betaald moeten worden en sluit een compromis met de schuldeisers over de betalingen (hierop wordt later nader ingegaan).

4.    Financieringsdiensten voor de gemeente

Er moeten veel voorwerpen, plannen en verbouwingen gefinancierd worden in een gemeente, zoals een speeltuin in een wijk of de vernieuwing van een aantal flats. Voor dit gemeentelijk beleid wordt een GKB ingeschakeld.

Gemeentelijke Sociale Dienst

Voor mensen die gebruik maken van de Participatiewet (voorheen Wet werk en bijstand (WWB)) en dus bijstandsgerechtigd zijn, bestaat er een apart soort kredietverstrekking. De Gemeentelijke Sociale Dienst (GSD) voert deze kredietverstrekking uit.

De Gemeentelijke Sociale Dienst kan op grond van de Participatiewet leenbijstand toekennen. Voor bijstandsgerechtigden is er uit hoofde van de Participatiewet een renteloze lening te krijgen. Afhankelijk van de leeftijd van de gerechtigde en de samenstelling van het huishouden, wordt de hoogte van het te lenen bedrag vastgesteld. De gerechtigden mogen dit geleende bedrag niet aan zomaar alles uitgeven.

Vooraf wordt bepaald waar het geld aan wordt besteed, bijvoorbeeld aan een duurzame consumptiegoed, zoals een TV, radio of een koelkast.

De overige kenmerken van kredietverlening door de GSD zijn:

  • Op vertoon van een aankoopbewijs kan, wanneer de aankoop van te voren is goedgekeurd door de GSD, het bedrag worden uitgekeerd;
  • Er hoeft geen kredietvergoeding betaald te worden door de gerechtigde;
  • Er wordt een bepaald aflossingsplan opgesteld waarin de aflossing per maand wordt vastgesteld;
  • Afhankelijk van de financiële situatie, wordt een termijnbedrag vastgesteld;
  • De kredietvrager moet voordat hij de lening toegekend krijgt voldoende bewijs hebben dat de hij bij andere instanties (bijvoorbeeld banken) is afgewezen en dus geen krediet heeft ontvangen.

De bijstandsambtenaar die de kredietaanvraag behandelt, beoordeelt uiteindelijk of de lening kan worden toegekend.

Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO)

Sinds de Wet op de Studiefinanciering (WSF 2000) is ingevoerd, is de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), voorheen de Informatie Beheer Groep, belast met de uitvoering van deze wet. DUO maakt deel uit van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. De WSF is ontwikkeld om het studeren aan bijvoorbeeld een hogeschool of universiteit financieel mogelijk te maken. Sinds 2015 kennen we naast de WSF ook de Wet Studievoorschot hoger onderwijs. Hierin staan de nieuwe regels voor studenten aan het HBO en WO die sinds 1 september met hun opleiding zijn begonnen.

Studenten aan het Hoger Beroepsonderwijs (HBO) en universiteit (Wetenschappelijk Onderwijs (WO) kunnen namelijk vanaf 1 september 2015 geen gebruik meer maken van de basisbeurs. De HBO- en

WO-studenten moeten sinds deze datum lenen voor hun studie. De MBO-student heeft nog wel recht op de basisbeurs, waarbij het bedrag onder andere afhankelijk is van de woonsituatie van de student (in- of uitwonend). De schuld wordt kwijtgescholden als de student genoeg studeert en zijn diploma op tijd (binnen 10 jaar) behaalt. Dit wordt ook wel de prestatiebeurs genoemd. Onder de prestatiebeurs voor de MBO-student valt de basisbeurs, het reisproduct en de eventuele aanvullende lening. Voor de HBO- en WO-student bestaat de prestatiebeurs uit het reisproduct en de eventueel aanvullende lening.

De aanvullende lening wordt verstrekt aan studenten voor wie de basisbeurs (MBO-studenten) of de studielening (HBO- en WO-studenten) niet voldoende is om van te leven.

Crowdfunding

Op 19 januari 2016 heeft de Autoriteit Financiële Markten (AFM) met vertegenwoordigers van crowdfunding platforms om de tafel gezeten. In dit overleg werd gesproken over de wijze van invulling van de voorschriften voor crowdfunding platforms.

Wat is crowdfunding

Crowdfunding is een alternatieve manier van financieren. Het is dus anders dan de traditionele financiering bij een bank of financiële instelling. Crowdfunding komt oorspronkelijk uit Amerika en wint de laatste jaren ook in Nederland enorm aan populariteit.

Bij crowdfunding vindt geen tussenkomst plaats van een financieel dienstverlener. De ondernemer zet, als geldnemer, zijn project of kredietvraag uit bij een platformbeheerder. Via dat platform komen vrager en aanbieders van geld met elkaar in contact.

Vormen van crowdfunding

Er zijn 4 manieren waarop een geldverstrekker kan investeren:

  • Doneren. Investeerders staan achter een bepaald goed doel. Het geld is een donatie.
  • Sponsoring. Investeerders geven geld voor publiciteit, maar zonder financiële tegenprestatie.
  • Loan-based crowdfunding. Investeerders verstrekken met elkaar geld in de vorm van een lening. De investeerders krijgen hun geld met rente terug.

Equity-based crowdfunding. Investeerders verstrekken geld in ruil voor aandelen. De investeerders ontvangen dividend als direct rendement.

Toezicht

Loan-based- en equity-based crowdfunding vallen onder toezicht van de AFM. Dat is logisch, want bij deze vormen is sprake van een geldelijke tegenprestatie, rente of dividend.

Crowdfunding zal steeds meer een permanent onderdeel worden van het functioneren van de financiële markten. Gelet op de missie van de AFM – zich sterk maken voor eerlijke en transparante financiële markten – denkt de AFM tevens mee met het verduurzamen en professionaliseren van crowdfunding.

Om dit te verwezenlijken is in april 2016 het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen (BGfo) gewijzigd. Bestuurders van een platform met een ontheffing als bemiddelaar in opvorderbare gelden moeten naast betrouwbaar ook geschikt zijn. Bovendien moeten deze platforms een integere en beheerste bedrijfsvoering voeren.

De andere afspraken tussen de AFM en de crowdfunding platforms zijn:

1.    Crowdfunding investeerderstoets

Iedere geldverstrekker die €500 of meer in een crowdfunding platform wil investeren, moet een investeerderstoets afleggen. Deze, geheel geautomatiseerde toets, geldt alleen wanneer de klant wil investeren in vormen van crowdfunding die onder toezicht van de AFM vallen. De investeerderstoets moet herhaald worden als de totale investering van de klant boven de €5.000, €10.000, €20.000 en

€40.000 uitkomt. Dit geldt per crowdfundingsplatform. De investeerderstoets bevat vragen over de kennis en ervaring en het vermogen van de consument. Het heeft tot doel de consument een verantwoorde investeringsbeslissing te kunnen laten maken..

2.    Maximaal te investeren bedrag

De AFM vindt een percentage van maximaal 10 van het vrije belegbare vermogen van een investeerder verantwoord als investering in een crowdfunding platform. Voor equity-based crowdfunding geldt een investeringsgrens van maximaal €40.000. Voor loan-based crowdfunding is de maximale investeringsgrens €80.000.

De crowdfunding platforms vormen aan de hand van de investeerderstoets hun oordeel. De uitslag van de beoordeling door het crowdfunding platform en de uitkomst van deze toets zijn echter niet bindend voor de investeerder.