Les Voortgang
0% Voltooid

Iedereen in Nederland maakt gebruik van voorzieningen waar de overheid voor zorgt of aan meebetaalt: wegen en dijken, politie, onderwijs, zorg en sociale voorzieningen. Voor een groot deel betaalt de overheid dit uit de opbrengst van belastingen. 

  • Gedurende zijn leven betaalt de klant belasting over: 
    • Inkomen Inkomstenbelasting box 1 
    • Inkomen uit vermogen Inkomstenbelasting – vermogensrendements heffing box 3 
    • Geld dat iemand hem schenkt Schenkbelasting 
    • Geld dat iemand hem nalaat Erfbelasting 

Daarnaast wordt iedere Nederlander ook nog met andere belastingen geconfronteerd. Voorbeelden: Belasting toegevoegde waarde (Btw) en assurantiebelasting, beide 21%, als ook motorrijtuigenbelasting, overdrachtsbelasting (2% over de verkoopwaarde van de woning), onroerend zaakbelasting enz. De laatstgenoemde belastingen worden onder Wft-Basis niet behandeld. 

Boxenstelsel in de Wet IB 2001 In Nederland worden inkomsten uit arbeid anders belast dan inkomsten uit sparen en beleggen. Dit wordt ook wel het boxensysteem genoemd. Het boxensysteem bestaat uit 3 boxen: 

Overzicht boxenstelsel IB 2001 

Box 1: Inkomen uit werk en woning

Iemand is belastingplichtig wanneer hij inkomen heeft in één of meer boxen en hierover – dus – belasting verschuldigd is. Het inkomen waarover hij belasting betaalt, is het belastbaar inkomen. Er zijn 3 boxen en elke box heeft zijn belastbaar inkomen waarover belasting verschuldigd is. Inkomen wordt maar één keer belast. Een inkomen dat in box 1 valt, wordt niet ook nog eens in een andere box belast. 

In box 1 vallen de volgende inkomensbestanddelen: 

  • Winst uit onderneming (inkomsten – kosten van een bedrijf) 
  • Loon (salaris, pensioen) 
  • Resultaat uit overige werkzaamheden (bijvoorbeeld freelance werk) 
  • Periodieke uitkeringen en -verstrekkingen (lijfrente-uitkeringen, ontvangen alimentatie en sociale uitkeringen (WIA, WW etc) 
  • Inkomsten uit eigen woning 

De inkomsten die belast worden in box 1 zijn vooral inkomsten uit werk. Dat kan gaan om tegenwoordige arbeid, maar ook om inkomsten omdat men in het verleden gewerkt heeft (uitkeringen, pensioen) of inkomsten omdat men niet kan werken (uitkeringen, alimentatie). 

Naast de inkomsten uit werk, wordt in box 1 ook de eigen woning belast. Met een eigen woning wordt bedoeld: een huis waarvan de belastingplichtige eigenaar is en die voor hem het hoofdverblijf is. Een vakantiewoning is wel bezit, maar geen hoofdverblijf, en wordt belast in box 3. 

Een woningbezitter moet allereerst een bepaald percentage van de waarde van zijn woning bij zijn inkomen optellen. De fiscus ziet de eigen woning als bron van inkomsten, omdat de eigenaar van het huis geen huur hoeft te betalen. De bijtelling bij het inkomen heet het eigenwoningforfait. Vervolgens mag de eigenwoningeigenaar van die toegerekende inkomsten de rente en kosten aftrekken die hij heeft gemaakt voor de lening (meestal een hypotheek) op de woning. Die rente en kosten zijn meestal hoger dan het eigenwoningforfait. Per saldo hebben de meeste bezitters dan ook ‘negatieve inkomsten uit eigen woning’. Het belastbare inkomen wordt hierdoor verlaagd en de belastingplichtige betaalt hierdoor uiteindelijk minder inkomstenbelasting. Sinds 1 januari 2013 is de renteaftrek beperkt. De rente is maximaal 30 jaar fiscaal aftrekbaar, mits binnen de gekozen hypotheekvorm tussentijds wordt afgelost. Dat is het geval bij een lineaire- en annuïteitenhypotheek. Dit is met name van toepassing op starters, want voor de op 31 december 2012 bestaande leningen voor de eigen woning geldt sinds 1 januari 2013 een overgangsrecht. 

Voorbeeld hypotheekvorm
Chantal heeft sinds 2002 een spaarhypotheek. Chantal gaat verbouwen en sluit in 2020 een extra lening binnen de huidige hypothecaire inschrijving van €30.000. Chantal mag de hypotheekrente voor de nieuwe geldlening alleen aftrekken als zij kiest voor een lineaire- of annuïtaire lening. De bestaande spaarhypotheek valt onder het overgangsrecht. Deze mag dus aflossingsvrij blijven. 

Iemand die een inkomen heeft, waarvan een deel van het belastbaar inkomen uit werk en woning in de 2e belastingschrijf valt, krijgt te maken met een beperking van de renteaftrek in box 1. De aftrekbare kosten met betrekking tot de eigen woning worden sinds 2014 elk jaar verder beperkt. Dat betekent voor de belastingplichtige dat hij steeds minder van de jaarlijks rentelasten (en andere financieringskosten) mag aftrekken. Sinds 2018 mag een belastingplichtige ook niet meer dan 100% van de aanschafwaarde van de woning lenen. De belastingplichtige die een woning wil kopen, zal dus meer eigen (spaar)geld nodig hebben om bijvoorbeeld overdrachtsbelasting en financieringskosten te kunnen betalen. 

Let op: er hoeft geen hypotheek te worden afgesloten om renteaftrek te genieten. De Wet op de inkomstenbelasting geeft aan dat het een lening dient te zijn die wordt gebruikt voor de aankoop of verbetering (verbouwing) van de eigen woning. De vorm van de lening is daarbij niet relevant. Als een klant dus een persoonlijke lening afsluit voor een verbouwing aan de woning, mag hij in principe de rente gewoon aftrekken in box 1 

Naast de (hypotheek)rente zijn er nog enkele andere mogelijke aftrekposten in box 1. Een belangrijk voorbeeld hiervan is de aftrekbare premie voor lijfrenten en de persoons gebonden aftrek. Deze worden verderop behandeld. 

Zoals aangegeven in ons voorwoord gaan we in de syllabus fictieve cijfers. Weet hoe een berekening gemaakt moet worden en gebruik op het examen de cijfers die in de opgave of bijlage worden verstrekt. En let op: de vrijstellling en schulddrempel zijn per belastingplichtige (box 3). 

Voorbeeld negatieve inkomsten uit eigen woning
Gerard heeft een eigen huis met een WOZ-waarde van €200.000. Hij heeft een hypothecaire lening van €200.000 waarover hij 4% rente moet betalen. De hypotheekrente die Gerard moet betalen bedraagt €8.000 (€200.000 x 4%). 

Het eigenwoningforfait bedraagt 0,60% van de WOZ-waarde: 0,60% x €200.000 = €1.200. De negatieve inkomsten eigen woning voor Gerard bedragen €6.800 (€8.000 – €1.200). Het bruto inkomen van Gerard mag worden verminderd met €6.800 voor de heffing in box 1. 

Alle inkomsten in box 1 worden voor een belastingjaar – een belastingjaar loopt van 1 januari tot en met 31 december – bij elkaar opgeteld. De aftrekposten worden hiervan afgehaald. De uitkomst wordt ‘belastbaar inkomen’ genoemd. Het inkomen in box 1 wordt progressief belast. Dit betekent dat naarmate iemand meer verdient, hij een hoger percentage aan belasting betaalt. In het uiterste geval wordt in 2020 49,50% (51,75% in 2019) aan inkomsten belasting betaald over iedere euro die boven €68.507 met werken wordt verdiend. De progressieve heffing komt tot uitdrukking in het schijventarief. Het schijvenstelsel is in 2020 gewijzigd. In 2019 was er nog sprake van een vierschijvenstelsel. Sinds 1 januari 2020 is dit een tweeschijvenstelsel. Vanaf de AOW-gerechtigde leeftijd is een drieschijvenstelsel van toepassing. Dit heeft te maken met het wegvallen van de AOW-premie. 

Tarief inkomstenbelasting niet AOW-gerechtigde leeftijd 

Voor personen die de AOW-gerechtigde leeftijd behalen en voor personen die de AOW-gerechtigde leeftijd al hadden bereikt, gelden andere tarieven.

Tarief inkomstenbelasting vanaf AOW-gerechtigde leeftijd

De verschuldigde belasting wordt als volgt berekend
Heffing box 1 € +
Heffing box 2 € +
Heffing box 3 € +
Gecombineerde inkomensheffings € =
Standaard heffingskortingen €_______________________-
Verschuldigde belasting € = 

Voorbeeld berekenen te betalen inkomstenbelasting
Selma (45 jaar) heeft een bruto inkomen van €50.000. Haar belastbaar inkomen bedraagt €45.000. Wat is haar netto inkomen op jaarbasis? 

Selma betaalt in de eerste schijf €16.650 aan belasting (€45.000 x 37,00%) Het bruto inkomen van Selma (voor aftrek (hypotheek)rente en eventuele andere aftrekposten) bedraagt €50.000. Haar netto jaarinkomen bedraagt €50.000 – €16.650 = €33.350. 

Loonbelasting is een belasting die de werkgever over het loon van de werknemer inhoudt. Deze loonbelasting is een voorheffing op de inkomstenbelasting. Naast belasting worden ook premies volksverzekeringen op het bruto loon ingehouden. Dit zijn de premies die worden betaald over de volksverzekeringen AOW, Anw en Wlz. Mensen met de AOW-gerechtigde leeftijd betalen geen premie werknemersverzekeringen meer en ook geen premie meer voor de AOW. De premies volksverzekeringen zijn voor deze groep dus lager. 

Let goed op tijdens het examen. Moet de inkomstenbelasting berekend worden in box 1 en eventueel box 3? Of moet het netto inkomen berekend worden? Bij de berekening van het netto inkomen moet de te betalen belasting nog van het bruto inkomen worden afgetrokken! 

Let goed op tijdens het examen. Welke leeftijd heeft de klant in een casus? Heeft de klant recht op AOW of nog niet? Dit brengt namelijk andere tarieven met zich mee. Kies tijdens het examen voor het juiste tarief inkomstenbelasting! 

Fiscaal partnerschap 

Echtgenoten en geregis treerd partners zijn in ieder geval fiscaal partners. Samenwonenden moeten meerderjarig zijn, op hetzelfde adres staan ingeschreven (Basisregistratie Personen) en aan één van de volgende voorwaarden voldoen:

  • het hebben van een notariële samenlevingsovereenkomst
  • het samen hebben van een kind
  • het kind van de partner hebben erkend 
  • het samen hebben van een eigen woning
  • partner zijn voor de pensioenregeling van degene met wie men samenwoont
  • een minderjarig kind hebben dat van één van beiden is en op hetzelfde adres staat ingeschreven
  • het voorgaand belastingjaar ook als fiscaal partners aangemerkt zijn 

• Persoonsgebonden aftrek
De persoonsgebonden aftrek geeft een belastingplichtige de mogelijkheid bepaalde uitgaven (aftrekposten) af te trekken. Denk hierbij aan:

  • uitgaven voor onderhoudsverplichtingen (alimentatie aan de ex-partner)
  • verliezen op beleggingen in durfkapitaal. Durfkapitaal is de financiering van ondernemingen die hoge risico’s lopen. Meestal zijn dit investeringen in startende ondernemingen
  • weekenduitgaven voor gehandicapte kinderen van 30 jaar of ouder
  • studiekosten
  • uitgaven voor monumentenpanden
  • giften 

De persoonsgebonden aftrek is niet gebonden aan een bron van inkomen en daarom ook niet aan een box. De persoonsgebonden aftrek wordt eerst in mindering gebracht op het inkomen van box 1. Het restant dat overblijft wordt afgetrokken in box 3. Mocht er dan nog een gedeelte overblijven, dan wordt dit afgetrokken in box 2. Resteert er dan nog een bedrag, dan gaat de aftrek voor deze kosten naar het volgend jaar. 

Persoonsgebonden budget
Aftrek in box 1 – box 3 – box 2 en eventueel verder naar het nieuwe belastingjaar. 

Nadat de persoonsgebonden aftrek is toegerekend aan de boxen is het belastbare inkomen in de 3 boxen berekend. Daarmee wordt per box het te betalen bedrag aan belasting bepaald. De optelling van deze bedragen voor box 1, 2 en 3 noemen we de gecombineerde inkomensheffing. 

Van het te betalen bedrag aan inkomstenbelasting wordt of worden vervolgens één of meerdere heffingskortingen afgetrokken. 

• Heffingskortingen
Of de gecombineerde inkomensheffing betaald moet worden, hangt af van de nog eventueel te verrekenen heffingskortingen. Afhankelijk van de persoonlijke situatie van de klant heeft hij recht op een bepaalde heffingskorting. De standaard heffingskorting bestaat uit de volgende heffingskortingen:

  • algemene heffingskorting
  • arbeidskorting
  • inkomensafhankelijke combinatiekorting
  • ouderkorting
  • alleenstaande ouderenkorting
  • jonggehandicaptenkorting
  • levensloopverlofkorting
  • korting groene beleggingen. 

• Algemene heffingskorting
De algemene heffingskorting is per 1 januari 2014 inkomensafhankelijk geworden. Het gaat hier om het belastbare inkomen in box 1. Bij een inkomen vanaf ongeveer €20.000 tot het inkomen in schijf 2 wordt de algemene heffingskorting verminderd.De algemene heffingskorting voor de AOW-gerechtigde belastingbetaler is lager. 

De algemene heffingskorting wordt lager als het inkomen hoger is. Inkomens boven de eerste schijf hebben geen recht meer op algemene heffingskorting. 

  • Arbeidskorting tot AOW-leeftijd Ook de arbeidskorting is sinds 2014 inkomensafhankelijk. Het gaat hier om het arbeidsinkomen, oftewel loon, winst uit onderneming of resultaat uit overige werkzaamheden. Tot een inkomen van ongeveer €35.000 geldt: hoe hoger het inkomen des te hoger de arbeidskorting. Bij een inkomen vanaf ongeveer €35.000 geldt: hoe hoger het inkomen des te lafer de arbeidskorting. Bij een inkomen van €100.000 is de arbeidskorting helemaal afgebouwd naar €0. 

Box 2: Inkomen uit aanmerkelijk belang

In box 2 valt het inkomen uit aanmerkelijk belang. Er is sprake van een aanmerkelijk belang als belastingplichtige een aandelenpakket van 5% of meer in een besloten vennootschap (bv) of naamloze vennootschap (nv) heeft. Over het dividend van deze aandelen wordt belasting geheven. De belastingplichtige betaalt 26,25% belasting in box 2. 

Het loon van de directeur-grootaandeelhouder (dga) is belast in box 1. 

Box 3: Inkomen uit sparen en beleggen

In Nederland betalen we ook belasting over ons vermogen. Bij de bepaling van het inkomen uit sparen en beleggen wordt niet gekeken naar de werkelijke inkomsten die met het vermogen worden behaald. Er wordt gerekend met een percentage van de waarde van het vermogen op 1 januari. Dit wordt het forfaitair rendement genoemd. De belasting die uiteindelijk betaald wordt, heet vermogensrendementsheffing. 

Sinds 1 januari 2017 gaat de Belastingdienst ervan uit dat belastingbetalers gemiddeld genomen per vermogensschijf in een bepaalde verhouding sparen en beleggen. 

Niet al het vermogen van een belastingplichtige valt onder de vermogensrendements heffing. Bezittingen die wel onder de vermogensrendementsgrondslag vallen, zijn: 

  • de tweede woning 
  • spaargeld 
  • contant geld 
  • beleggingen 

Maar ook schulden die niet onder box 1 vallen (de eigenwoningschuld), vallen in box 3. Het bedrag mag worden verrekend met het vermogen. Er geldt wel een schulddrempel (doelmatigheidsdrempel) van (fictief) €3.100 per belastingplichtige. De schulddrempel houdt in dat belastingplichtige de eerste €3.100 van zijn schulden niet mag verrekenen met zijn vermogen. 

Roerende zaken voor eigen gebruik of voor gebruik binnen het gezin vallen onder vrijgestelde bezittingen. Dit betekent dat de waarde van bijvoorbeeld inboedel, auto, de caravan, het pleziervaartuig en dergelijke niet wordt meegenomen voor het berekenen van de rendementsgrondslag. Let hierop bij het examen. 

Vergeet niet dat een schuld in box 3 niet volledig in mindering mag worden gebracht op de te berekenen rendementsgrondslag voor aftrek van het heffingsvrij vermogen. 

Het forfaitair rendement is dus sinds 1 januari 2017 afhankelijk van de hoogte van de grondslag. Het vermogen wordt verdeeld in 3 schijven. We hanteren even de volgende bedragen: Schijf 1 betreft inkomen uit sparen en beleggen tot €70.000. In schijf 2 wordt het meerdere tot €1.000.000 belast en voor het vermogen boven €1.000.000 geldt het tarief in schijf 3. De Belastingdienst rekent vervolgens met 2 percentages. Een rendementspercentage voor het spaargedeelte en een rendementspercentage voor het beleggingsgedeelte. Deze 2 percentages leiden tot het voordeel uit vermogen waarover belasting verschuldigd is. Het belastingtarief in box 3 is ongewijzigd gebleven en bedraagt 30%. Het heffingsvrij vermogen bedraagt ongeveer €30.000. 

Tarieftabel box 3 

Bron: belastingdienst 

Voorbeeld 1 

Josje met €130.000 spaargeld Josje heeft €130.000 spaargeld en geen schulden. Haar rendementsgrondslag na aftrek van het heffingvrij vermogen bedraagt €100.000. Voor de eerste €70.000 van haar vermogen valt zij in schijf 1 en voor het restant (€30.000) in schijf 2. 

Schijf 1: €70.000 x 1,82% = €1.274. 

Schijf 2: €30.000 x 4,20% = €1.260. 

Fictieve rendement in schijf 1 is €1.274 en in schijf 2 €1.260 is tezamen €2.534. 

Josje moet 30% belasting betalen over het voordeel uit sparen en beleggen van €2.534 = €760. 

Over het fictieve rendement van het vermogen wordt in box 3 vervolgens 30% belasting geheven. 

Voorbeeld 2 

Josje met €1.130.000 spaargeld Josje heeft een vermogen van €1.130.000 en geen schulden. Haar rendementsgrondslag na aftrek van het heffingvrij vermogen bedraagt €1.100.000. Voor de eerste €70.000 van haar vermogen valt zij in schijf 1, voor de volgende €930.000 in schijf 2 en voor de resterende €100.000 in schijf 3. 

Schijf 1: €70.000 x 1,82% = €1.274. Schijf 2: €930.000 x 4,20% = €39.060. Schijf 3: €100.000 x 5,30% = €5.300 

Het totale fictieve rendement van de 3 schijven is €45.634. 

Josje moet 30% belasting betalen in box 3 over haar vermogen = €13.690. 

Inkeerregeling 

Zwartsparen wordt in Nederland steeds strenger aangepakt. Als de Belastingdienst iemand betrapt op het verzwijgen van vermogen (in Nederland of het buitenland), wordt er een boete opgelegd van maximaal 300% over de navordering met mogelijk nog een strafrechtelijke vervolging. De navordering is de nog niet betaalde inkomstenbelasting over het verzwegen vermogen. De Belastingdienst kent een navorderingstermijn van 12 jaar voor tegoeden in het buitenland. Zijn de tegoeden niet in het buitenland, maar in Nederland, zoals contanten in een kluis, dan geldt een navorderingstermijn van 5 jaar. De navordering wordt dus berekend over 12 of 5 jaar. 

Tot 2020 gold de inkeerregeling. Deze regeling hield in dat verzwegen vermogen alsnog vrijwillig kon worden opgegeven bij de Belastingdienst waarbij er lagere boete betaald moest worden dan de maximale 300%. De inkeerregeling is vervallen per 1 januari 2020. 

CRS

Door middel van automatische gegevensuitwisseling tussen belastingdiensten van alle EU-lidstaten kan belastingontduiking beter opgespoord worden. Financiële instellingen moeten daarom elke nieuwe klant bij het openen van een rekening een eigen verklaring laten ondertekenen. In deze verklaring geeft de klant aan in welke land hij belastingplichtig is. Voor natuurlijke personen is dit de verklaring ‘bepalen fiscaal inwonerschap’ en voor zakelijke klanten is dit de verklaring ‘bepalen belastingstatus. Ook bij vermoeden of signalen van (ook) buitenlandse belastingverplichting moet de financiële instelling de klant een eigen verklaring laten afgeven.De financiële instelling geeft de informatie die in de verklaring staat door aan de Belastingdienst. 

Fiscale ondersteuning eigen woning

Met bepaalde financiële producten kan op een fiscaal gunstige manier kapitaal opgebouwd worden voor het aflossen van een eigenwoningschuld. Een eigenwoningschuld is een lening die gebruikt is voor de aankoop of verbetering van een eigen woning. 

  • Sparen voor de eigen woning Tot 1 januari 2008 hadden verzekeraars het alleenrecht op het leveren van dergelijke producten. Maar sinds 1 januari 2008 kan de klant voor deze producten ook terecht bij banken of andere financiële instellingen. Deze manier van kapitaal opbouwen wordt ook wel ‘banksparen’ genoemd. 

Het bankspaarsaldo wordt gebruikt voor het aflossen van een eigenwoningschuld en is dan ook een bancair alternatief voor de Kapitaalverzekering Eigen Woning (KEW). Een andere bancaire mogelijkheid is het Beleggingsrecht Eigen Woning (BEW). Volgens – in grote lijnen – dezelfde regels als in de KEW mag met de SEW of BEW belastingvrij kapitaal worden opgebouwd om de hypothecaire geldlening in de toekomst mee af te lossen. 

Die regels luiden als volgt:

  • De uitkering moet worden gebruikt voor het aflossen van de eigenwoningschuld.
  • De hoogste jaarlijkse inleg mag niet meer bedragen dan 10 x de laagste jaarljkse inleg. Dit wordt de bandbreedte-eis genoemd.
  • Tot voor kort moest er minimaal 15 jaar onafgebroken premies worden betaald voor de KEW of worden ingelegd op de SEW of BEW. Dit wordt de tijdklem genoemd. Deze tijdklem is in 2017 komen te vervallen. 

Het grootste verschil met een KEW is dat er geen verzekeringselement verwerkt is in de SEW of BEW. Een gewenste of vereiste overlijdensdekking moet dus apart worden afgesloten door de klant. 

Daarnaast is er in het kader van de erfbelasting ook een verschil. De uitkering uit de KEW bij overlijden gaat naar de begunstigde als de verzekering goed is ingericht. Het spaarsaldo van de SEW of BEW valt bij overlijden automatisch in de erfenis, waarbij er een grote kans is dat er erfbelasting over betaald moet worden. 

Voordeel van de SEW en BEW is dat de spaar- of beleggingsovereenkomst na overlijden van één van de rekeninghouders kan worden voortgezet. Voorwaarde is wel dat de overblijvende partner een eigen woning en een eigenwoningschuld heeft. 

Vanaf 1 januari 2013 zijn de voorwaarden voor renteaftrek aangescherpt. De rente mag alleen over nieuwe eigenwoningschulden worden afgetrokken als er tussentijds op de eigenwoningschuld wordt afgelost. Met deze nieuwe voorwaarden kunnen er geen nieuwe SEW en BEW en KEW’s worden afgesloten voor nieuwe leningen. De bestaande leningen vallen onder een overgangsrecht. 

Fiscale ondersteuning oudedagsvoorziening

Voor wie aantoonbaar pensioentekort heeft, is het mogelijk om de inleg voor aan aanvullende voorziening binnen bepaalde grenzen af te trekken in box 1. Sinds jaar en dag ging het daarbij om lijfrenteverzekeringen. Een lijfrenteverzekering is een levensverzekering waarin een kapitaal wordt opgebouwd dat later in delen wordt uitbetaald. Met de invoering van het banksparen in 2008 kan dit ook met een bancair product (een bankrekening) of een beleggingsrekening. 

Tijdens de opbouwfase wordt het kapitaal voor de lijfrente gevormd. De inleg is fiscaal aftrekbaar volgens dezelfde regels als de premie voor de lijfrenteverzekering. Bovendien valt het saldo – net als de waarde van de lijfrentepolis – niet onder de vermogensrendementsheffing in box 3, maar in box 1. Omdat een bancaire lijfrente geen verzekering is, kunnen geen extra dekkingen worden meegenomen voor overlijden en arbeids ongeschiktheid. De bancaire lijfrente is zuiver ‘een pot met geld’ die later in delen wordt uitbetaald. 

Ook in de uitkeringsfase van de oudedagsaanvulling kan de klant kiezen voor bank sparen. De uitbetalingen uit een bancaire lijfrente zijn – net als bij lijfrente verzekeringen – belast als inkomen in box 1. 

Het in een lijfrenteproduct opgebouwde kapitaal mag de klant aanwenden voor een (levenslange) oudedagslijfrente, een tijdelijke oudedagslijfrente of een nabestaandenlijfrente. Of het nu een bancaire of verzekerde regeling is. Een bancaire ‘levenslange’ oudedagslijfrente is in de praktijk niet levenslang, omdat de rekening in de uitkeringsfase na verloop van tijd leeg is. Bij een levenslange variant moet een looptijd worden gekozen van minimaal 20 jaar. Het langlevenrisico dat bij een verzekerde lijfrente door de verzekeraar gelopen wordt, neemt de uitkeringsgerechtigde hier voor eigen rekening. 

Voorbeeld 2 Banksparen
Marja koopt een levenslange bancaire oudedagslijfrente aan op haar AOW-leeftijd en kiest voor een looptijd van 20 jaar. Op haar 85e is ze nog steeds in goede gezondheid, maar haar lijfrente eindigt. Dat kan een aardige terugval in inkomen betekenen. Wanneer ze een verzekerde levenslange lijfrente had aangekocht zou de uitkering doorlopen tot haar overlijden. 

Komt de gerechtigde te overlijden na het ingaan van de bancaire lijfrente, dan lopen de uitkeringen door ten gunste van de erfgenamen. Ook als de begunstigde van een nabestaandenlijfrente komt te overlijden is dat van toepassing. Het restant van de uitkeringen valt in de nalatenschap, maar heeft geen directe heffing van erfbelasting tot gevolg, omdat de uitkering is belast met inkomstenbelasting. 

Vergelijking verzekerde lijfrente en bancaire lijfrente 

Tot 1 januari 2016 was er ook nog een mogelijk om voor de uitvaart te sparen op een geblokkeerde spaarrekening met een extra vrijstelling van ongeveer €7.000. Dit is niet meer mogelijk. In box 3 geldt alleen nog maar een extra vrijstelling voor de waarde van een uitvaartverzekering. 

Schenk- en erfbelasting

Een belastingplichtige betaalt belasting over geld, of de waarde van goederen, dat wordt ontvangen van anderen door een schenking of door een erfenis (een verkrijging uit een nalatenschap). Voor zowel schenkingen als verkrijgingen uit een nalatenschap gelden bepaalde vrijstellingen. Hierover wordt geen belasting betaald wordt. Voor het bepalen van de hoogte van de schenk- of erfbelasting speelt de relatie tussen schenker en ontvanger en de hoogte van de verkrijging een rol. 

  • Schenkbelasting
    Een schenking is een gift of een donatie waarbij geld of goederen aan een ander wordt gegeven zonder dat die ander daar een tegenprestatie tegenover hoeft te zetten. De schenker gaat er in zijn vermogen op achteruit, de ontvanger in zijn vermogen op vooruit. Denk bijvoorbeeld aan geld dat 

ouders (willen) schenken aan hun kinderen. De kinderen zijn over deze schenkingen (als die boven de vrijstelling uitkomen) schenkbelasting verschuldigd. 

Kinderen tussen de 18 en 40 jaar (de 40e verjaardag telt nog mee) hebben recht op een éénmalig verhoogde vrijsteling. Er geldt een eenmalig verhoogde schenkings vrijstelling van ongeveer €104.000 als de schenking wordt gebruikt voor:

  • de aanschaf van een eigen woning
  • de aflossing van een bestaande hypotheekschuld of eigenwoningschuld
  • voor woningverbetering
  • voor afkoop van erfpacht 

Deze éénmalig verhoogde vrijstelling kan in 3 opvolgende jaren worden benut. Bij een éénmalige schenking voor de eigen woning maakt de relatie schenker-ontvanger niet uit. Die is in alle relaties €104.000, mits er geen gebruik gemaakt is van deze vrijstelling voor 1 januari 2010. De heffing van de schenkbelasting is, net als de hierna te behandelen erfbelasting, geregeld in de Successiewet. 

Is het bedrag van een schenking of erfenis hoger dan de vrijstelling, dan is het meerdere belast met schenk- of erfbelasting. Dit meerdere heet de ‘belaste verkrijging’. 

  • Erfbelasting In het erfrecht is vastgelegd wat er met het vermogen van een persoon gebeurt als hij komt te overlijden. Het vermogen van de overleden persoon (erflater) wordt nalatenschap genoemd. De overgang van het vermogen van de erflater naar de erfgenaam kan op 2 manieren gebeuren:
    • op grond van het wettelijk erfrecht, of
    • op grond van een uiterste wilsbeschikking (testament) 
  • In deze paragraaf gaan we alleen in op het wettelijk erfrecht. Een erfgenaam heeft recht op zijn deel van de nalatenschap. Hij is echter niet verplicht om zijn deel van de nalatenschap te accepteren. Hij kan kiezen voor:
    • zuiver aanvaarden
    • beneficiair aanvaarden
    • verwerpen 

Met de invoering van de Wet bescherming erfgenamen tegen (onverwachte) schulden op 1 september 2016 is de erfgenaam beter beschermd tegen het onbewust zuiver aanvaarden van de nalatenschap. 

Oude situatie voor 1 september 2016

  • Zuiver aanvaarden door gedragingen 
    De erfgenaam volgde de erflater zonder beperkingen op. Hij kon vrij beschikken over alle nalatenschapsgoederen, maar stond met zijn privévermogen in voor schulden van de nalaten- schap. Een erfgenaam kon door gedragingen, zonder dat hij zich daarvan bewust was, een nalatenschap zuiver aanvaarden. Denk hierbij aan het betalen van een nog openstaande rekening van de erflater, het meenemen van spullen van de erflater, of het erkennen van een schuld van de erflater. Voor de erfgenaam die de nalatenschap (bewust of onbewust) zuiver aanvaardde, was dit niet meer terug te draaien. Oftewel, het was dan niet meer mogelijk om nog beneficiair te aanvaarden.
  • Beneficiair aanvaarden 
    Bij beneficiaire aanvaarding is er sprake van een ‘ja, maar…’. Bij beneficiair aanvaarden wordt in principe ‘ja’ gezegd tegen de erfopvolging, maar de erfgenaam is alleen met het geërfd vermogen aansprakelijk voor de schulden uit de nalaten schap. Dit betekent in feite dat de erfgenaam de erfenis alleen accepteert als er sprake is van een positief saldo. Beneficiair aanvaarden was alleen mogelijk als er nog niet zuiver aanvaard was. 

Nieuwe situatie in de Wet bescherming erfgenamen tegen schulden vanaf 1 september 2016

  • Zuiver aanvaarden alleen door specifieke gedragingen 

In deze wet is pas sprake van zuivere aanvaarding door de erfgenaam als hij goederen uit de nalatenschap verkoopt of op andere wijze onttrekt aan eventuele schuldeisers. Denk hierbij aan het verkopen van goederen uit de nalatenschap, het bezwaren of op andere wijze goederen onttrekken aan eventueel verhaal van schuldeisers. Het meenemen van een fotoboek of een mooi kledingstuk leidt dus niet meer automatisch tot het zuiver aanvaarden van de nalatenschap. Als de inboedel echter verdeeld wordt, is er wél sprake van zuivere aanvaarding. 

Verzoek om bescherming privévermogen
De erfgenaam is niet met zijn privévermogen aansprakelijk voor de schulden uit de nalatenschap als de erflater tijdens zijn leven een onrechtmatige daad heeft gepleegd en als gevolg daarvan schade- plichtig is. Dit moet dan wel pas duidelijk worden ná het overlijden van de erflater. In een dergelijke situatie kan de erfgenaam de kantonrechter verzoeken om bescherming van zijn privévermogen. 

Is er sprake van een onverwachte schuld, dan kunnen de erfgenamen binnen 3 maanden na ontdekking van deze onverwachte schuld naar de kantonrechter gaan om de nalatenschap alsnog beneficiair te aanvaarden. Hier ligt wel een zware bewijslast bij de erfgenaam. Hij moet dan bij de kantonrechter aantonen dat hij voldoende heeft gedaan, om eventuele schulden te achterhalen.

  • Beneficiair aanvaarden niet standaard 
    De overheid wilde in eerste instantie het erfrechtstelsel zó inrichten dat erfgenamen een erfenis standaard beneficiair zouden aanvaarden. Maar deze keuze zou voor erfgenamen onnodige extra lasten en kosten met zich kunnen meebrengen. De nalatenschap zou dan immers steeds volgens de wettelijke vereffeningsregels moeten worden afgewikkeld. Daarnaast brengt het standaard beneficiair aanvaarden een extra belasting van de rechterlijke macht met zich mee. 

Voorbeeld situatie voor en na 1 september 2016
Situatie voor 1 september 2016 De vader van Pieter (45) is een week geleden op 76-jarige leeftijd overleden. Zijn moeder was al overleden toen hij nog een kind was. Pieter heeft geen broers en zussen. Hij staat er dus alleen voor. 

Pieter is erg verdrietig. Hij loopt op de avond na de begrafenis alleen door het huis van zijn vader. Hij rommelt wat in de spullen die allemaal herinneringen oproepen. Op het nachtkastje ligt het gouden horloge van zijn vader. Geëmotioneerd pakt hij het horloge en hij besluit dit mee te nemen. Het oude fotoalbum met de foto’s van zijn moeder en ook de overjas van zijn vader neemt hij mee. 

Na een aantal dagen gaat Pieter naar de notaris. De notaris legt hem uit dat je een nalatenschap zuiver kunt aanvaarden, beneficiair kunt aanvaarden of verwerpen. Pieter vertelt de notaris over zijn vader, hoe hij was en hoe hij leefde. Dan laat Pieter het horloge van zijn vader zien en de jas die Pieter zelf perfect past. 

De notaris legt nu uit dat van beneficiair aanvaarden of verwerpen van de nalatenschap geen sprake meer kan zijn. Pieter heeft zich namelijk gedragen als erfgenaam. De nalatenschap is zuiver aanvaard. 

Situatie na 1 september 2016 In de huidige situatie heeft Pieter met het meenemen van het oude fotoalbum en de overjas van zijn vader de nalatenschap niet zuiver aanvaard. Pas als Pieter een deel van de inboedel zou verkopen of vervreemden is sprake van zuivere aanvaarding. 

  • Verwerpen 
    Een erfgenaam heeft het recht een erfenis te verwerpen of te weigeren. Als de erfgenaam hiervoor kiest, is hij geen erfgenaam meer. Op papier is dan vastgelegd dat hij nooit erfgenaam is geweest. De verwerper van de erfenis kan niet worden aangesproken voor eventuele schulden van overledene, maar ontvangt uiteraard ook niets uit de erfenis. Bij verwerping is er sprake van plaatsvervulling. Dit betekent dat de kinderen van degene die heeft verworpen in zijn plaats komen te staan en erfgenaam worden. 

Wettelijk erfrecht
In het wettelijk erfrecht is de wettelijke verdeling vastgelegd. Als de erflater een echtgenoot en kinderen achterlaat, krijgt de langstlevende echtgenoot het volledige eigendom van alle goederen die tot de nalatenschap behoren. De kinderen krijgen een vordering op de langstlevende ter grootte van hun erfdeel. Deze vordering is een niet-opeisbare vordering. Pas bij overlijden, faillissement of wettelijke schuldsanering van de langstlevende kunnen de kinderen hun erfdeel opeisen. Het staat de langstlevende vrij om deze schuld af te lossen wanneer hij dat wil. 

Erfgenamen
Wettelijke erfgenamen zijn altijd bloedverwanten, met uitzondering van de echtgenoot. De echtgenoot is geen bloedverwant, maar wel wettelijk erfgenaam. De wet onderscheid 4 groepen erfgenamen: 

De nalatenschap wordt verdeeld onder de personen die behoren tot de groep die hoogte in rang is (rangorde). Zolang er nog erfgenamen zijn in groep 1, komt niets toe aan de erfgenamen in groep 2 of lager. Als er geen verwanten zijn dan valt de nalatenschap toe aan de staat. Als de nalatenschap wordt verdeeld, hebben de erfgenamen binnen dezelfde groep in principe allemaal recht op een gelijk deel van de nalatenschap. Er geldt hier twee uitzonderingen: 

  • Bij een verdeling in groep 2 hebben de ouders een recht op minimaal 25% van de nalatenschap. Dit geldt per ouder. Als beide ouders in leven zijn bij het overlijden van hun kind, hebben zij dus gezamenlijk recht op de helft van de nalatenschap.
  • Als er bij een groep 2 verdeling sprake is van halfbroers of halfzusters, dan is hun erfdeel slechts de helft van het erfdeel van een volle broer of zus. 
  • Plaatsvervulling
    Als een erfgenaam eerder overleden is dan de erflater, is sprake van plaats vervulling. Een kind of kinderen neemt of nemen gezamenlijk de plaats in van de eerder overleden ouder. 
  • Nalatenschap
    Tot de nalatenschap behoren alle bezittingen, maar ook alle schulden. Onder de schulden vallen ook de kosten voor de te betalen erfbelasting. De langstlevende moet de erfbelasting voor de kinderen betalen. De betaling voor de erfbelasting wordt in mindering gebracht op de vordering van de kinderen. 

Erfbelasting
Het vermogen dat iemand nalaat bij zijn overlijden wordt de nalatenschap of erfenis genoemd. Aan de kant van de ontvangers wordt dit formeel een ‘verkrijging krachtens erfrecht’ genoemd. Over een ontvangen erfenis moeten de erfgenamen belasting betalen: de erfbelasting. Hiervoor gelden verschillende tarieven en vrijstellingen, afhankelijk van de relatie van de erflater en de erfgenaam. 

Voorbeeld erfrecht en erfbelasting
Geert en Aaltje zijn gehuwd in gemeenschap van goederen en hebben 3 kinderen, Jaap, Gert en Klaas. Geert komt te overlijden. Het vermogen van Aaltje en Geert bedraagt op dat moment €400.000. Klaas was al overleden voordat Geert kwam te overlijden. Klaas heeft 2 kinderen. 

Nalatenschap: De nalatenschap bedraagt €200.000. Aaltje heeft vanwege de gemeenschap van goederen recht op de helft van het vermogen. Dit valt niet onder de nalatenschap. 

Erfgenamen: Aaltje, Jaap, Gert en de kinderen van Klaas zijn erfgenaam. Ieder heeft recht op 1/4 van de nalatenschap. 

Erfdeel: Aaltje heeft recht op een erfdeel van €50.000, Jaap €50.000 en Gert €50.000. Het erfdeel van Klaas wordt verdeeld onder zijn kinderen. Elk kleinkind heeft recht op een erfdeel van €25.000. 

Te betalen erfbelasting We laten, gezien de hoge vrijstelling van Aaltje, Aaltje even buiten beschouwing. Jaap en Gert hebben ieder een erfdeel van €50.000. De te betalen erfbelasting voor Jaap en Gert bedraagt €50.000 – vrijstelling €21.000 = €29.000 x 10% = €2.900. De kleinkinderen hebben gezamenlijk recht op het erfdeel van hun vader Klaas. De te betalen erfbelasting per kleinkind bedraagt €25.000 – vrijstelling €21.000 = €4.000 x 18% = €720. Aaltje moet de erfbelasting voor de kinderen en kleinkinderen betalen. De kinderen en kleinkinderen ontvangen nu niets uit de nalatenschap. Als Aaltje de bedragen wel direct beschikbaar wil stellen aan haar kinderen, kan zij dat doen. 

Het vorige voorbeeld met nog wel genuanceerd worden. De erfdelen van kinderen en kleinkinderen worden namelijk niet volledig belast bij de kinderen. Dit heeft te maken met het feit dat de moeder het volledig eigendom heeft over hun deel van de nalatenschap en de kinderen slechts een niet-opeisbare vordering op hun moeder hebben. Om die reden is over een deel van de erfdelen van de kinderen erfbelasting verschuldigd door de langstlevende. De berekening hiervan valt buiten de lesstof van Wft Basis 

In beginsel moet erfbelasting worden afgedragen na het ontvangen van de erfenis. Als de nabestaanden een woning erven die verkocht moet worden en er is niet (of niet voldoende) geld beschikbaar voor het betalen van de erfbelasting dan kan de erfgenaam uitstel van betaling aanvragen. 

Bedraagt de te betalen erfbelasting minder dan €50.000, dan kan de erfgenaam uitstel van betaling aanvragen voor één jaar. Voorwaarde is dat de woning in de verkoop moet staan. Bedraagt de te betalen erfbelasting meer van €50.000, dan kan de erfgenaam ook uitstel van betaling aanvragen. De woning moet in dit geval ook in de verkoop staan. Maar de Belastingdienst wil dan extra zekerheid hebben in de vorm een hypotheekrecht op deze woning. 

Voorbeeld verdeling nalatenschap met stiefkind
Jacob en Erna zijn gehuwd in gemeenschap van goederen. Jacob en Erna hebben samen 2 kinderen, Ernst en Jacco. Evelien is een kind uit het eerder huwelijk van Erna. Jacob overlijdt. Erna, Ernst en Jacco zijn de erfgenamen van Jacob. Evelien niet, zij is zijn stiefkind. Wil Jacob dat Evelien ook erfgenaam wordt, dan moet hij dit vastleggen in een testament. 

Hieronder nog een voorbeeld met betrekking tot de erfgenamen. 

Voorbeeld erven in groep 2
Joost komt te overlijden. Hij is alleenstaand en heeft geen kinderen. Joost heeft nog een vader en moeder en 3 zussen. De nalatenschap bedraagt €80.000. De ouders van Joost erven elk 1/4 deel, oftewel €20.000. De zussen erven €40.000 / 3 = €13.333. 

Joost komt te overlijden. Hij is alleenstaand en heeft geen kinderen. Zijn vader is vorig jaar overleden. Hij laat een moeder en 4 zussen achter. De nalatenschap bedraagt €80.000. 

De moeder van Joost ontvangt minimaal 1/4 deel (hier €20.000). Het restant €60.000 wordt verdeeld onder de 4 zussen.