Les Voortgang
0% Voltooid

Vanwege een opgebroken fietspad rijdt Lianne op haar fiets aan de linkerzijde van de weg. Wanneer zij weer naar de rechterkant wil oversteken, wordt ze aangereden door een in tegengestelde richting rijdende vrachtauto, die ter plekke de maximum snelheid met 10 km per uur overschrijdt. Lianne loopt een armbreuk op en haar fiets is flink beschadigd. Wie betaalt de schade?

Risico

Risico’s op ongelukken zoals hierboven beschreven lopen wij dagelijks. Risico is de kans op een gebeurtenis met schade en/of verlies als gevolg. Verzekeringen zijn er om de financiële gevolgen van risico’s weg te nemen of te verkleinen, maar verzekeren kost geld. Daarom willen de meeste mensen zich niet tegen alle risico’s verzekeren. Om te bepalen welke risico’s wél en niet verzekerd moeten worden, kunnen de risico’s in kaart worden gebracht. Dit wordt risico-inventarisatie genoemd.

De kans op en de gevolgen van een bepaald risico zijn de twee factoren die bepalen hoe groot een risico is. Om de grootte van een bepaald risico in kaart te brengen, wordt het risico vaak als volgt weergegeven:

Risico = kans x gevolg

Als de kans op een gebeurtenis groot is, maar het nadelige effect ervan heel klein, dan is het risico niet groot. Neem bijvoorbeeld de kans dat het ‘s winters net onder het nulpunt vriest (die kans is erg groot), maar het nadelige effect van lichte vorst is heel klein. Zo is het risico van een gebeurtenis waarop de kans heel klein is, maar waarvan het gevolg groot is, ook relatief klein.

Veel risico’s kunnen verzekerd worden, maar het verzekeren van alle risico’s brengt teveel kosten met zich mee. Het is daarom van belang om risico’s goed te inventariseren en te ‘managen’.

Risicomanagement

Risicomanagement is het proces van inventariseren van de risico’s, waarna de juiste maatregelen worden geselecteerd om de risico’s te beperken. De wijze waarop een particulier omgaat met risico’s kan variëren. Dat is afhankelijk van de risicobereidheid van de particulier. De manier waarop met risico’s om kan worden gegaan, wordt onderverdeeld in vier risicostrategieën:

  1. Voorkomen van risico’s
  2. Verminderen van risico’s
  3. Uitbesteden van risico’s
  4. Accepteren van risico’s

De keuze voor een bepaalde risicostrategie wordt gemaakt door een inschatting te maken van de omvang (gevolg) en de waarschijnlijkheid (kans) van het risico. De onderstaande figuur geeft dit grafisch weer:

Als de grootte van het risico is bepaald, kun je kiezen voor een bepaalde risicostrategie. Sommige risico’s probeer je te voorkomen of te verminderen, andere besteed je uit of accepteer je. Er zijn ook risico’s waarbij je geen keuze hebt. Hieronder staat een onderverdeling van verschillende risico’s op een rij: We kennen risico’s die:

  • je kunt en mag verzekeren:
    º gezondheid (aanvullende ziektekostenverzekeringen)
    º leven en dood (levensverzekeringen, aanvullend pensioen)
    º bezit en vermogen (opstal- en inboedelverzekering, cascoverzekering auto)
  • je moet verzekeren:
    º verzekeringsplicht door de overheid opgelegd (bijvoorbeeld WAM en zorgverzekering)
    º sociale verzekeringen (bijvoorbeeld: AOW, WW voor werknemers)
  • niet te verzekeren zijn:
    º risico’s die onherroepelijk (niet te voorkomen) zijn (zoals slijtage)
    º succes in een baan, geluk in het leven
    º de niet financiële gevolgen van risico’s (zoals menselijk leed)

Het principe van verzekeren

De oudste vorm van verzekeren is de onderlinge afspraak van een groep mensen dat zij elkaar te hulp schieten als zich bij één van hen een calamiteit voordoet. De groep mensen spreekt gezamenlijk af dat zij samen betalen als iemand uit de groep het nodig heeft. Omdat de groep mensen deze afspraak samen heeft gemaakt, worden het risico van de deelnemers van de groep gezamenlijk gedragen. Verzekeren is dus ontstaan uit solidariteit.

Onzekerheid
In de wet staat dat op het moment van afsluiten van een verzekering onzeker moet zijn of en/of wanneer het te verzekeren risico zich voordoet. Daarnaast kan iemand niet zomaar elk willekeurig object verzekeren op zijn naam. In het algemeen geldt dat een verzekeringnemer alleen zaken mag verzekeren waar hij ook een duidelijk belang bij heeft.

Er moet dus sprake zijn van een ‘onzeker voorval’ om het te kunnen verzekeren. Vooraf mag niet bekend zijn óf het voorval zich voordoet of wanneer het zich voor zal doen. Bij levensverzekeringen is het onzeker wanneer het voorval zich voordoet. Bij schadeverzekeringen is het onzeker óf het voorval zich voordoet. Zaken die (mogelijk) voorzien worden, kunnen niet verzekerd worden.

Voorbeeld
Het loopt niet lekker tussen Janine en haar werkgever. Janine gaat op zoek naar een rechtsbijstandverzekering, omdat zij graag juridische bijstand wil als het conflict met haar werkgever uit de hand loopt.

Janine vraagt een rechtsbijstandverzekering aan. Zij krijgt een lijst met acceptatievragen. Er wordt onder meer gevraagd of er sprake is van lopende of dreigende conflicten. Daarnaast kent deze verzekering een inloopperiode van drie maanden. Janine wordt geaccepteerd, maar het conflict met haar werkgever en andere voorziene conflicten zijn uitgesloten van dekking.

De techniek van verzekeren

Voor zowel particulieren als bedrijven vormt het financieel belang bij het al dan niet plaatsvinden van een gebeurtenis de aanleiding om een verzekeringsovereenkomst te sluiten. De verzekerde betaalt een premie aan de verzekeraar. In ruil zegt de verzekeraar toe te betalen als het voorval zich voordoet. Dit heet ‘het uitbesteden van het risico’ Voorbeelden zijn uitkering na een inbraak, een aanrijding of een overlijden. Vaak worden ook zogenaamde gevolgschade verzekerd. Dit kunnen bijvoorbeeld de
opruimingskosten na een brand zijn of het zogenaamde ‘gemis aan verwacht voordeel’ (bijvoorbeeld inkomensverlies).

Hoe komt het dat verzekeraars de risico’s kunnen dragen?
Verzekeraars kunnen hun rol vervullen omdat ze de verschillende risico’s kunnen inschatten op grond van bijvoorbeeld CBS-cijfers of informatie van het Centrum Voor Verzekeringsstatistiek (CVS). De afgelopen jaren hebben er steeds ongeveer 9.500 verkeersongevallen met letsel per jaar plaatsgevonden. Afgezet tegen het grote aantal weggebruikers in Nederland is dit een redelijk stabiel gemiddelde. Het kunnen inschatten van de risico’s, omdat deze in het algemeen een stabiel gemiddelde kennen, wordt ook wel de wet van de grote aantallen genoemd. Het is voor een verzekeraar van belang om een groot aantal verzekerden te hebben. Zo kan de gemiddelde schadekans zo goed mogelijk worden berekend en is de kans dat de verzekeraar de risico’s kan dragen het grootst.

Voorbeeld ‘wet van de grote aantallen’ en verzekeren
Een scooter verzekeren is vaak duur. John schrikt van de jaarpremie voor zijn snorscooter: Hij moet 600 euro betalen. Dat is nog meer dan de jaarpremie voor het verzekeren van een motor!

Hoe komt het dat scooterverzekeringen zo duur zijn?
In één jaar worden bijna 17.000 van de één miljoen scooters gestolen. Dit betekent dat circa 1 op de 50 scooters wordt gestolen. Bovendien veroorzaken veel bestuurders (vaak jongeren) schade met hun scooter. De schadekans in deze leeftijdsgroep bedraagt 9%. Jongeren betalen dan ook 40% meer premie dan ouderen. Het gemiddelde bedrag per schade of
diefstal ligt tussen 1500 en 2000 euro. Dit grote aantal schades is voor veel verzekeraars een reden om hoge verzekeringspremies te vragen. Als ze dat niet doen, maken ze verlies.

Het totale bedrag van alle premies moet het bedrag van alle schades dekken. Om de gemiddelde schadekans te halen (1 op 50 in dit geval) moet een verzekeraar wel grote aantallen scooters aantrekken om te verzekeren.

Om een goede premie te berekenen voor een bepaalde verzekering houdt een verzekeraar rekening met statistieken uit het verleden. In het geval van de scooterverzekering van John uit het voorbeeld kijkt een verzekeraar naar het aantal gestolen scooters en het aantal schades aan scooters in de afgelopen jaren. Op basis hiervan wordt een premie berekend. Het kan echter voorkomen dat een verzekeraar op basis van statistieken uit het verleden in een bepaald jaar toch niet uitkomt.

Daarom werkt een verzekeraar met reserveringen. De verzekeraar maakt een ‘reservepotje’ voor het geval er in een bepaald jaar door omstandigheden – bijvoorbeeld extreem stormachtig weer, met als gevolg veel schade – extra geld beschikbaar moet zijn voor de uitkering van schades.

Op de schade-uitkering is het zogenaamde indemniteitsbeginsel (of schadeloosstellingsbeginsel) van toepassing. Dit betekent dat de belanghebbende (de klant) door een uitkering uit een schadeverzekering niet in een financieel gunstiger positie mag komen dan het geval was voor de schade. Toch komt dit in de praktijk wel voor, omdat verzekeraars er in hun polisvoorwaarden van mogen afwijken.

Antiselectie
Mensen hebben de neiging om risico’s waaruit men nauwelijks of geen schade verwacht niet te verzekeren, terwijl men voor risico’s waarvan men de kans op schade groot acht wel een verzekering wenst af te sluiten. Zo zullen bijvoorbeeld personen met een goede gezondheid minder geneigd zijn om een arbeidsongeschiktheidverzekering af te sluiten dan personen met een slechte gezondheid. Dit wordt antiselectie (of autoselectie) genoemd. Als verzekeraars hier niets tegen doen, kloppen de berekeningen voor hun premies op basis van de algemene statistieken niet.

Premiedifferentiatie
Door voor verschillende groepen mensen, verschillende premies te vragen kan een verzekeraar anti selectie tegengaan. Niet iedereen betaalt dus voor dezelfde verzekering dezelfde premie. Zo betaalt een vrouw van 46 jaar minder premie voor een scooterverzekering dan een jongen van 17 jaar, omdat de jongen van 17 een hoger dan gemiddeld risico vormt. Dit wordt premiedifferentiatie genoemd.

Verzekeraars differentiëren niet alleen op leeftijd, maar ook op bijvoorbeeld woonomgeving. Iemand die in de Randstad woont, betaalt doorgaans een hogere premie voor zijn motorrijtuigenverzekering dan iemand van buiten de Randstad. In de Randstad is de kans op schade nu eenmaal groter.